Het is altijd zeer moeilijk geweest om sommige bezoekers te overtuigen dat
bij de RTM in Ouddorp een verzameling waardevolle railvoertuigen bijeen is gebracht.
En dat je de inhoud van de loods en alle spullen en zaken eromheen een museum
noemt, schijnt menigmaal tot fronsende wenkbrauwen of erger te hebben geleid.
Zo ontvingen wij eens een dame van een overkoepelende museumvereniging die bij
het betreden van de remise een ware cultuurschok moet hebben beleefd: een museum
zonder schilderijen aan de muur en soms met olie op de grond? Was dit een museum?
Verward verliet zij het pand.
Wie af en toe de regionale en landelijke pers leest zal het opvallen dat medewerkers
van museumlijnen en fans van dit soort activiteiten steevast neergezet worden
als een stel volslagen verknipte idioten die echt niets anders met hun vrije
tijd te doen hebben dan smerig te worden en met treintjes te spelen. Vaak worden
ze aangeduid met tram-o-fielen, treintjesgekken etc. Heel vreemd is het dat
bezoekers van het Rijksmuseum in Amsterdam nooit omschreven worden als schilderijenfetisjisten,
maar dit terzijde.
De branche had duidelijk te maken met een groot tekort aan respect. Een berg
schilderijen uit één zelfde genre (bijv. schuttersstukken) in
een muf museum wordt gezien als een groot stuk cultuurgoed. Een prachtige stoomloc
uit 1913, glimmend en met liefde opgeknapt en waar er maar één
van is, wordt eerder gezien als een rokend stuk vervuiling dan als cultuurgoed.
Terwijl uiteindelijk de huidige welvaart voor een groot deel zijn basis heeft
in de ontwikkeling van het railvervoer in het begin van de vorige eeuw. Wat
over de schildersbranche in de Gouden Eeuw niet gezegd kan worden. Rembrandt
ging failliet en van de Nachtwacht werd, om het passend te maken, twee stukken
afgesneden alsof het behang was.
Verzamelaars van antieke auto´s, oude schepen (de bruine vloot) en vliegtuigen
zaten met hetzelfde probleem. Het publiek vindt het leuk, weet er verder niets
van af en als het op aanvragen van subsidies aankomt wordt regelmatig de vraag
gesteld "wat de toegevoegde waarde is van uw verzameling". Waarna
gepast zwijgen volgde.
Kortom, in een maatschappij waar alles meetbaar is moest er overgegaan worden
tot waarderende registers die grof gezegd duidelijk konden maken wat er in het
land aanwezig was en welke culturele waarde het vertegenwoordigt. De bruine
vloot was de eerste club die zo´n register maakte (Register Varende Monumenten),
de railsector is de tweede.
Enige jaren geleden werd daartoe het Register Railgebonden Historische Objecten
opgericht. Collectiehouders (bijv. de RTM) konden een aantal keren per jaar
railvoertuigen voordragen die dan beoordeeld werden door een volledig onafhankelijke,
maar zeker deskundige, Beoordelingscommissie. Men dacht in anderhalf jaar klaar
te kunnen zijn, maar nu is men reeds vier jaar bezig. Van de ongeveer 1400 geïnventariseerde
objecten valt er waarschijnlijk een kwart af voor beoordeling maar de rest zal
door de molen gaan of is er al door. Om zaken een beetje te versnellen is de
Beoordelingscommissie, gesteund door Stabien (Stichting Service- en Adviesbureau
Industrieel Erfgoed Nederland), dat tevens de beheerder is van het Register,
overgegaan tot enige clustering. Dit is nu gebeurd met de O&K smalspoorlocomotieven
en de rijtuigen van het Métallurgique-type (zoals de RTM-rijtuigen).
Van de 45 voertuigen van ons museum zijn er 33 aangemeld (ongeveer 75%). Er
rest nog een klein deel, replica´s worden niet ingediend en ook moderne
RTM-voertuigen (zoals de M 1653) zullen niet in het Register verschijnen. Daarmee
is de RTM een der collectiehouders die zeer actief is geweest met het inbrengen
van haar waardevolle stukken.
Het Register heeft gekozen voor een A-B-C-waardering (clusters), afgekeken van de Mondriaanstichting, die zelfs nog een D-categorie kent. Bovendien moet een ingebracht object voldoen aan het criterium "uit de actieve dienst onttrokken". Er is dus geen leeftijdsgrens getrokken, zoals dat bij andere monumenten wel het geval is (minimaal vijftig jaar oud als ondergrens). Eén keer per twee jaar komen de Beoordelingscommissie en de Klankbordgroep bij elkaar om de voortgang te bespreken en de criteria zo nodig aan te passen aan de ervaringen in de praktijk. Ook kunnen er herijkingen plaatsvinden.
De topstukken zitten in het Cluster A. Om daarin te komen moet een object een
belangrijke ontwikkeling in de railgeschiedenis vertegenwoordigen of een belangrijke
technische ontwikkeling in het Nederlands railvervoer representeren. Ook kan
het object een unieke of zeldzame representant zijn van een serie of type dat
jarenlang beeldbepalend was. Hierbij krijgt de meest representatieve van een
serie (bijv. de Métallurgique-rijtuigen bij de RTM) de A-status en niet
een prototype. Tenslotte kan ook een zeldzaam product van een fabrikant een
A-waardering krijgen.
Wat betekent dit voor de RTM? Wij bezitten in totaal 15 voertuigen die binnen
de A-categorie vallen (45% van de ingebrachte stukken, 33% van de gehele RTM-verzameling).
Het zijn:
Van de tractiemiddelen:
Stoomloc 50
Stoomloc 56
Motorlocomotief M67
Motorwagen MABD 1602
Motorwagen MABD 1804
Motorlocomotief MD 1805
Het 1700-stel
Dit beeld is duidelijk: de 50 is uniek als smalsporige klassieke tramlocomotief
van het achterstandtype, van een type waar er flink wat van zijn geweest. De
56 is uitgekozen omdat het een vertegenwoordiger is van de zwaarste smalspoorstoomlocomotieven,
gelardeerd met allerlei normaalsporige extra´s als oververhitter en voorwarmer.
Bovendien is de loc nog geheel in originele staat of, na restauratie, terug
te brengen in die staat (met twee voedingspompen bijvoorbeeld).
De 54 ontbreekt hier, evenals de 57. De eerste heeft een B-status gekregen,
de laatste een C.
Van de M67 is er maar één en dus de enige vertegenwoordiger van
een geslaagd experiment met motortractie. Voor de MABD 1602 geldt hetzelfde:
een succesvol voorbeeld van wat een hele serie had kunnen worden (als de centen
niet op waren geweest) en zeer beeldbepalend voor de naoorlogse RTM. De MABD
1804 lag in concurrentie met de WSM 40. Deze wagen was net iets eerder in dienst
gesteld maar de 1804 is langer in Nederland in dienst geweest, dus beeldbepalender
geworden en bezit een unieke tractie-installatie. De MD 1805 is het succesvolle
vervolg van de MBS-serie en beeldpalend voor de RTM in de vijftiger jaren geworden.
De modernisering bij de RTM is afgesloten met de indienstelling van het unieke
Sperwerstel, dat overigens als geheel (ensemble) is gewaardeerd.
Van de rijtuigen:
B 367
AB 398
AB 1513
AB 417 (eigendom Nederlands Spoorwegmuseum Utrecht)
Het rijtuig AB 396 was in eerdere instantie als A-object gewaardeerd maar is
na de clustering ingeruild voor de AB 398, omdat dit een originelere uitvoering
was van het zware Métallurgique-type.
De andere ex-TBC-rijtuigen zijn B gewaardeerd omdat ze elk een variant van het
oorspronkelijk type vertegenwoordigen. De B 363, een oorspronkelijke RTM-er,
is zodanig herbouwd dat veel niet meer origineel is, in tegenstelling tot de
B 367 dat, op de petroleumverlichting na, geheel in originele staat verkeert
(inclusief het oorspronkelijke interieur). De 363 heeft dus de C-status gekregen.
De AB 417 is in bruikleen van het NSM en wordt even niet meegeteld in het aantal
maar heeft wel een A-status behaald. Waarschijnlijk wordt het ensemble M 67,
AB 414 en AB 417 binnenkort voorgedragen voor een A-status als een compleet
MBS-tramstel.
De AB 1513 is uiteraard een goede representant van een allerlaatste, maar geslaagde
poging van een noodlijdend trambedrijf in de vijftiger jaren om het rijtuigpark
te moderniseren. En uiteraard zijn deze omgebouwde salonrijtuigen in de jaren
´vijftig en ´zestig van de vorige eeuw beeldbepalend geweest voor
het motortrambedrijf van de RTM.
Van de goederenwagens:
Open wagen 96
De combinatie 903/1038
Open wagen 458
Materieelwagen 783
Melkwagen 715
Dit is duidelijk: de laadkistcombinatie 903/1038 is de unieke voorloper uit
1913 van het o zo moderne containervervoer. De open wagen 458 is gekozen omdat
het de oudste (1898) representant is van een groot geslacht aan open goederenwagens.
Bovendien bezit de wagen veel historische details (zoals de plaats waar de bekerkoppeling
heeft gezeten) en heeft een krappere radstand dan de overige wagens. Daarom
kon de open wagen 96 ook de A-status verwerven. Het is een representant van
de zogenaamde fabriekswagens die in gebruik waren bij diverse aan de RTM-lijnen
gelegen suikerfabrieken, en laat een latere ontwikkeling zien van de open wagen.
Materieelwagen 783 is uitermate uniek te noemen. Er is geen plattelandsstoomtram
geweest met zo´n wagen, speciaal voor het snel oplossen van ontsporingen
en andere ongevallen.
Tenslotte is de 715 een speciale representant van de grote serie gesloten goederenwagens.
De wagen is teruggebracht in de melkwagenuitvoering en als zodanig weer in gebruik.
In dit cluster vinden we voertuigen die een aandeel hebben in de ensemblewaarde (een deel van een serie die als samenstel van cultuurhistorisch belang is), attractiewaarde hebben (door bijv. een aparte verschijning), een speciale zeldzaamheid (maar niet vallend onder A) vertegenwoordigen, betrokken waren bij een belangrijke gebeurtenis in het Nederlandse railvervoer (contextwaarde), een relatie hebben met de omgeving waarin ze gereden hebben of in nog zo´n originele staat verkeren dat het als object documentatiewaarde heeft. Er zijn 9 B-waarderingen uitgereikt en dat vertegenwoordigd 28% van onze ingebrachte stukken en 20% van de hele verzameling.
Van de tractievoertuigen:
Stoomloc 54
Motorlocomotief M 1651
Jammer voor diegene die eigenlijk vinden dat alles van ons de A-status had
moeten krijgen maar hier heeft de beoordelingscommissie terecht gesteld dat
van een serie van drie dezelfde stoomlocs er maar één de A-status
kon krijgen. De 54 is niet meer origineel, zij mist de voorwarmer, maar is tot
de B-categorie toegelaten wegens het volgende oordeel: "Stoomlocomotief
RTM 54 is een attractief onderdeel van de collectie door de opmerkelijke geschiedenis
en verschijningsvorm van dit type stoomlocomotief. Het type representeert één
van de laatste en meest moderne tramlocomotieven in ons land, die beeldbepalend
waren voor de tramlijnen ten zuiden van Rotterdam". Aldus de commissie,
geen woord Spaans! Ze bedoelen hier mee dat de loc uitgevoerd is in de uitvoering
van de jaren 50, dus niet in de net-uit-de-fabriek uitvoering waarin veel opgeknapte
(tram)locomotieven worden teruggebracht. Bij ons zal dat overigens alleen gebeuren
met de 56 na een ingrijpende restauratie de komende jaren. De 57 is een gelijke
uitvoering van de 56 dus een goede aanvulling op de collectie en daarom C.
Motorlocomotief M 1651, onze Sik, had de pech een groot aantal normaalsporige
broertjes te hebben met dezelfde techniek. Dat die geen luchtberemming hebben
- en onze Sik wel - kon de Beoordelingscommissie niet vermurwen: geen A, wel
de B-status omdat dit een smalspoorvariant was van de NS-oersikken.
Van de rijtuigen:
AB 396
ABP 397
BD 438
AB 414
De AB 396 is, overigens na goed overleg, gedeclasseerd naar de B-status. Wij
hebben namelijk een luxeprobleem: er zijn veel historisch waardevolle rijtuigen
van hetzelfde type. Alleen de VSM heeft hetzelfde probleem: de Bolkoppen (NS-stalenrijtuigen
plan D en K) en de Blokkendozen (mat-24). De Beoordelingscommissie heeft bij
ons dus één RTM-rijtuig de A-status (B 367) toegekend en ook één
ex-TBC-rijtuig (een zwaardere uitvoering van het Métallurgique-type),
de AB 398. De andere rijtuigen zijn B-geworden wegens het feit dat ze een variant
zijn van het standaardtype. De AB 396 heeft het interieur van rond de Bezetting,
de ABP 397 van net daarna (en anders dan de 396) mét postafdeling en
de BD 438 is, hoewel het eigenlijk het oudste (1899) RTM-rijtuig bij ons is,
gehandhaafd in de naoorlogse uitvoering met bagageafdeling. Terugbouwen naar
de 1899 uitvoering heeft geen zin: er ontstaat een duplicaat van een al bestaand
type, terwijl juist een interessante variant verloren zou gaan.
Het oordeel over de AB 414 (nu een platte wagen met gedemonteerde bovenbouw
maar er aan herbouw en herstel gebruikmaking van de originele onderdelen wordt
gewerkt) is logisch. We moeten niet vergeten dat de AB 417 al de A-status heeft
en tastbaar aanwezig. De B-status heeft de 414 te danken aan het feit dat het
"deel uit maakt van een samenstel van voertuigen dat als zodanig van cultuurhistorisch
belang is". Oftewel: de aanwezigheid van de M67 zorgt ervoor dat de commissie
dit oordeel velde. Het is het enige overgebleven tastbare bewijs van het bestaan
van de Maas Buurt Spoorweg. Overigens, de M67, gecombineerd met de AB 414 en
AB 417, kan als MBS-ensemble ingediend worden.
Wij wachten nog op de waardering van de AB 394, de AB 376 (platte wagen, bovenbouw
grotendeels in onderdelen aanwezig, inclusief de complete gasverlichting) en
de B 364 (eigendom Spoorwegmuseum, nu bij ons, in kindertramuitvoering).
Nog ingediend moeten worden de B 1515 en de BD 1631. De eerste is als casco
aanwezig, de laatste slechts als platte wagen. De BR 1517 en de Belg worden
niet ingediend, beide zijn replica´s van RTM-rijtuigen.
Van de goederenwagens:
De PD 291
De CD 298
De 635
Van postwagens bij de tramwegen rijdt er maar origineel exemplaar: de NTM P
6 bij onze Hoornse collega´s. Dat deze wagen al net na de oorlog buiten
gebruik is gesteld doet niet terzake, het is en blijft een origineel! De PD
291 is pas in de jaren vijftig verbouwd uit een CD-wagen en ingericht als postrijtuig.
Tot 1963 was de wagen in gebruik en bezit nog alle historische details, ook
al is de wagen in de jaren ´80 wat grof opgeknapt. Deze bouwfase wordt
in 2004 weer gecorrigeerd en zo ontstaat er een fraaie postwagen, die ook weer
in gebruik genomen gaat worden. Het is dus wel de laatste in gebruik zijnde
postwagen op het Nederlandse tramwegennet.
Van CD wagens zijn er meer in ons land, echter niet met vier assen maar dat
gegeven kon de Beoordelingscommissie niet van een A-status overtuigen.
De 635, uit het Spoorwegmuseum afkomstig, is de oudste gesloten goederenwagen
met nog veel originele details. Echter, de 715 was als representant uitgekozen
voor een A-status, dus bleef er voor deze vertegenwoordiger van een doorsnee
RTM gesloten goederenwagen een eervolle tweede plaats over.
Buitenstaanders kenmerken dit cluster wel eens als de doodvonnis-afdeling of
schroothoopcluster. Dat is absoluut niet waar: een object uit de C-cluster moet
duidelijk passen binnen de doelstelling van de organisatie waarvoor het dienst
doet. Er moet een meerwaarde aanwezig zijn, anders hoeft de collectiehouder
dit object niet in te brengen. Dan behoort het tot de kwart afvallers uit het
begin van dit artikel en opname in het register geeft toch een zekere status
aan een object en de verzameling als geheel. De Beoordelingscommissie en de
Klankbordgroep studeren op dit ogenblik naar een betere formulering van dit
cluster. In de praktijk zal de kans op meer fondsen voor een object met een
A-status groter zijn dan met een C, al hoeft dit niet.
Voor onze RTM´ers betekent dat verhoudingsgewijs veel C`s : 9 stuks (27
% van de ingebrachte stukken, 18% van de hele verzameling) omdat we veel van
hetzelfde hebben. Vooral bij de gesloten goederenwagens doet dit verschijnsel
zich voor.
Van de rijtuigen:
B 363
Dit rijtuig is een gewoon standaardrijtuig, geen zeldzame variant, met veel nieuwbouw.
Van de goederenwagens:
Het Allan-ensemble : 642, 687, 700, 722, 728 en 1111
296
615
Het Allan-ensemble, een zestal gesloten goederenwagens, gebouwd in de periode
1908 t/m 1924, was naar ons inzicht een prachtig rijtje wagens met een zichtbare
ontwikkeling. Of een duidelijk voorbeeld van teveel met je neus gefocust zijn
op je eigen mooie verzameling. De Commissie had een zakelijker oordeel dan de
collectiehouder: zij zagen "nog meer van het zelfde", uiteraard wel
passend binnen de RTM-verzameling. Hetzelfde lot trof de 615, hoewel de wagon
nooit geheel met nieuw hout is gerestaureerd en zodanig dus een mooi documentair
object.
De 296 kreeg de C-status eigenlijk meer omdat het een replica was van de oorspronkelijke
296. Het frame is van postwagen 295. Zo´n wagen hadden we al en om het
rijtje vierassige speciale goederenwagens compleet te krijgen werd de 296 opnieuw
gebouwd. Voor de puristen onder ons: de draaistellen onder alle drie de wagens
zijn niet meer de originele die onder elk van de wagens behoren te zitten. Deze
waren van een standaardtype en werden bij herstelling en revisies rustig gewisseld!
Nog ingediend moeten of kunnen worden de 883, de 581, de 73 en de 772. De 1133,
Kampeerwagen Nr. VI, is een replica en hoewel het een zeer goede aanwinst is
voor onze collectie, zal die niet ingediend worden.
En de toekomst? Binnen de Beoordelingscommissie en de Klankbordgroep wordt
nog gestudeerd op de mogelijkheid een totale collectie in te brengen. Uiteraard
voor de RTM zeer interessant.
Heeft de waardering van de items uit onze collectie nou nog tastbare gevolgen?
Jazeker, door de status van het object te noemen en de motivatie daarbij is
het voor subsidiegevers en sponsoren een stuk duidelijker geworden aan wat hun
centen worden gespendeerd. Voor kritische geldverstrekkers is het Register een
goed ijkpunt dat dit ook gebeurd. Men voorkomt dat er fondsen uitgekeerd worden
aan een jongensclub-met-een-loc (zoals veel trotse collectiehouders ooit eens
in begin jaren ´70 waren begonnen) maar wel aan serieuze organisaties
met visie en een stuk cultuurgoed onder hun beheer. De Cultuurnota 2005 - 2008
is geschreven en ook de organisaties met hun railgebonden monumenten gaan een
drukke tijd tegemoet: hier kunnen de subsidies aangevraagd worden om de komende
jaren werkzaamheden te kunnen laten aanvangen die anders lang zouden moeten
blijven liggen. De vorige nota bracht geen cent op voor de individuele organisaties
maar wel werd het Register op poten gezet (waartoe de Mobiele Collectie Nederland
als organisatie werd opgericht) wat hopelijk nu zal leiden tot tastbaarder resultaat.
De tram-o-fielen zijn volwassen geworden!
Mark Grootendorst
P.S. Het bovenstaande stuk is iets anders dan in de Tramkoerier van voorjaar 2004: de 414 is tot onze verrassing niet C maar B gewaardeerd. Dat gedeelte is daarom bijgewerkt. Foto´s en links naar pagina´s elders op deze site zullen nog worden toegevoegd.
De naam van het register is in 2004 veranderd in Register Railmonumenten, onderdeel van het Nationaal Register Mobiel Erfgoed