Loc 50 verhuisde op 28 oktober 1967 naar een loods in Zaandam waar zij werd gedemonteerd. Later vertrok de machine naar Hoorn. Begin '70-er jaren ging zij in onderdelen naar het dorp Zeeland in Noord Brabant. Daar werd een andere ketel gemonteerd (Jung, 1950) en werd de loc weer gedeeltelijk opgebouwd. Het werk viel echter stil en in de zomer van 1978 werd de 50 naar Hellevoetsluis overgebracht. Daar werd bekeken of de uit 1913 stammende oude ketel nog te gebruiken was. Dit bleek niet het geval en daarom werd de nieuwere ketel zodanig in eigen beheer verbouwd - waarbij de stoomdom een stuk verplaatst werd -dat deze dienst kon doen. Na de gebruikelijke werkzaamheden aan een locomotief die vanaf 1957 buiten dienst heeft gestaan (nieuw plaatwerk, revisie van de lagers compleet met het ingieten van nieuw draagmetaal, revisie aan het machinegedeelte en de onvermijdelijke schilderbeurt) en vele kleine maar tijdrovende klussen, werd de derde dienstvaardige RTM-stoomloc op 5 oktober 1984 feestelijk in dienst gesteld.
De stoomlocomotief weegt dienstvaardig (met water en kolen) 21½ ton
en kan makkelijk de 50 km/h. halen met een flinke tram. De watervoorraad bevindt
zich in de tenderbakken langs de wielen met vulopeningen naast de rookkast,
de kolenvoorraad achter het machinistenhuis. De stoomverdeling is volgens het
systeem Joy en wordt geregeld met een schroefhandel. De loc heeft een ejecteur
voor het vacuümremsysteem (met demperpot op de ketel achter de stoomdom)
en wordt gevoed door twee injecteurs. De smering van de zuigers wordt verzorgd
door een condenssmeerinrichting volgens systeem Friedmann, te vinden in de linker
bovenhoek van het machinistenhuis. Om het wegverkeer te waarschuwen hangt er
in het machinistenhuis een handbel, voor treinseinen is een drie-tonige stoomfluit
aanwezig. De loc was geschilderd in de indienststellingskleuren met biezen.
Midden jaren ´90 werd besloten de loc opnieuw een grote revisie te geven
omdat de eerste slechts met beperkte middelen kon worden uitgevoerd en het drijfwerk
te ver versleten was om de loc nog langer in dienst te houden.

stoommachine en krukas met drijfstangen, klik op de foto
voor een vergroting
(foto: Cor Boelhouwers, voorjaar 2004)
Om het Spoorwegmuseum ter willen te zijn werd besloten tot een unieke ruil.
Loc 57 zou onder een lage kap komen staan maar was, door zijn dikke wielbanden,
te hoog voor deze overkapping. Door nu de versleten wielstellen van de 50 te
ruilen met de goede van de 57 zou de laatste loc precies onder de overkapping
passen. En zou de 50 weer op zo goed als nieuwe wielbanden komen te staan. Bovendien
was de krukas van de 57 in betere conditie dan die van de 50. Tijdens de ruil
bleek dat de RTM ook de grote ruiltruuk had toegepast: diverse wielstellen onder
de 50 kwamen helemaal niet van deze loc maar van Werkspoormachines of zelfs
van een vierkante Brede-loc. Toch handig als je als RTM-trammaatschappij je
drijf- en loopwielen enigszins standaardiseerde, er kon nog wel eens wat uitgewisseld
worden.
Tegelijkertijd werd het complete Joy-drijfwerk verwijderd, nagezien en waar
nodig (en dat was op veel plekken) hersteld, vervangen of verbust. Een tweetal
nieuwe drijfstangen werden door de Machinefabriek Krimpen gefabriceerd, de oude
waren door de nieuwe krukas niet meer goed bruikbaar. De gebroken zuigerveren
werden vervangen door nieuwe exemplaren en de lijbanen werden opgezuiverd en
gladgeslepen. Tenslotte werden de vele smeerleidingen en potjes op hun juiste
werking gecontroleerd. Na de inbouw van het drijfwerk werden de nieuwe, gelaste
waterbakken gemonteerd. De oude, met staalplaat opgelapte bakken waren niet
meer bruikbaar en zijn afgevoerd. Na deze fase is er uitgebreid met het machinegedeelte
proefgereden (foto´s hiervan hebben gestaan in de Tramkoerier) op de bekende
RTM-manier: een onder stoom staande loc (56 of 54) levert via de stoomverwarming
verse stoom aan de machine van de 50. Zo kon de goede werking van het drijfwerk
worden geïnspecteerd en de juiste afstelling van de machine worden verkregen
zonder een hinderlijke stoomketel in de nek. Het blijven toch relatief kleine
locomotieven.

drijfwerk (foto Mark Grootendorst)
Na deze fase begon het opbouwen van het machinistenhuis. Hierbij werden grote
delen van het in de jaren ´80 al vernieuwde machinistenonderkomen weer
gebruikt. Een aantal platen was door corrosie aangetast en is vervangen. Tenslotte
werd een nieuwe asbak gebouwd en geplaatst.
De nieuwe stoomketel - de oude is geruild voor een Haags tramwissel met de Stoomtrein
Valkenburgse Meer - is tussendoor onderhanden genomen. De ruwbouwketel werd
verder afgebouwd: de loodprop in de vuurkist aangebracht, de roosterdragers
op hun plaats gebracht, diverse aansluitingen van appendages en aan- en afvoerleidingen
gemonteerd en het ketelfront in orde gemaakt. Daarbij werden twee peilglazen
geplaatst van het zelfde type dat op de 54 is gemonteerd. Ook de originele vuurdeur
moest aan de nieuwe situatie worden pasgemaakt.
Een tegenvaller was de toestand van de rookkast. Deze was in Zeeland, tijdens
de eerste herstelpoging, danig versneden dat van een goede werking niet meer
kon worden uitgegaan. Een nieuwe is gemaakt en slechts enkele details (schoorsteen
en rookkastdeur) zijn nog origineel.

ketel in de afbouwfase, klik
op de foto voor een vergroting
(foto: Cor Boelhouwers, voorjaar 2004)


loc 50 in opbouw, mei 2004
(foto's Mark Grootendorst)


montage-activiteiten, klik op de foto voor een vergroting
(foto: Cor Boelhouwers, voorjaar 2004)


de restauratie van de 50 begint op te schieten;
klik op de foto voor vergroting
foto Mark Grootendorst, najaar 2004


werken aan locomotief 50
klik op de foto voor een vergroting
(foto: Cor Boelhouwers, najaar 2004)
©
Museum 'STICHTING V/H ROTTERDAMSCHE TRAMWEG MAATSCHAPPIJ'