
"Wat doet een bootje voor de RTM-remise?" Goede vraag, eenvoudig
antwoord: een eilandentram rijdt op eilanden en die moeten worden verbonden
met de vaste wal door veerboten.
Eigen veerboten en het bootje voor de remise is daar één van.
De kleinste en ook de laatste nieuw gebouwde veerboot voor het trambedrijf.
Met z'n iets meer dan 9 meter van kop tot staart was het wel een heel klein
scheepje, vergeleken bij de grote RTM-boten. Acht passagiers, twee bemanningsleden,
een klein motortje en van oorsprong zelfs gewoon een open motorbootje.
De 'Anna Jacoba' werd in 1931 onder nummer 1065 gebouwd op de NV Scheepswerven
v/h D. Boot & Zn te Alphen aan de Rijn voor het vervoer van trampassagiers
die van Anna Jacobapolder naar Zijpe moesten. Normaal gingen die passagiers
over met de veel grotere 'Zijpe', die in 1900 voor dat veer was gebouwd, maar
die in de jaren dertig nodig bleek voor het overzetten van auto's. Omdat er
niet veel trampassagiers waren, dacht de RTM het beter dat vervoer af te splitsen
met het motorbootje. Bij slecht weer konden de passagiers op houten langsbanken
in het roefje zitten, de schipper stond onder een houten kapje dat aan de achterkant
open was. Meer dan een stuurwieltje, gashendel en de grote bedieningshendel
voor de Brevo-keerkoppeling had hij niet. De hele "voortstuwing" bestond
uit een 18-PK Daimler benzinemotortje. Een echt succes was de 'Anna Jacoba'
niet en het scheepje werd dan ook meer gebruikt als hulpbootje voor het verhalen
van schepen dan als veerboot. Op het Zijpe kon het bij harde wind fors spoken
en hoewel de 'Anna Jacoba' een bijzonder goed varend scheepje was, kon dit de
passagiers niet worden aangedaan. De open kuip is daarom ook later met een houten
constructie overdekt.
In de tweede Wereldoorlog werd ook de 'Anna Jacoba' voorwerp van geweld. De
Duitsers brachten het bootje tot zinken en roofden de motor eruit. Spoedig na
de bevrijding kwam het scheepje weer in bedrijf, nu met een GM-dieseltje, dat
de keerkopeling aandreef met leren drijfriemen. In 1947 verving de RTM de houten
kap door een stalen exemplaar. Onderhoud werd gepleegd in de Centrale Werkplaats
aan de Kromme Zandweg. Het moet een fraai gezicht zijn geweest, de tram een
platte wagen te zien trekken, waarop het scheepje was vastgesjord. In dat jaar
herdoopte de RTM het bootje in 'Krabbekreek', een geultje onder Sint Philipsland.

De Krabbekreek bij het verhalen van een bietenschip
te Zijpe, 19 oktober 1947.
Het veerbootje heeft hier nog het zeer lage achterdek, maar is al wel van een
houten kapje voorzien.
Ook al is het "veerbootje" na 1947 nog wel ingezet op
Numansdorp-Willemstad, de sleepboot 'Hellegat' van de RTM verving de 'Krabbekreek'
dikwijls en uiteindelijk voer het totaan 1960 vrijwel niet meer. In dat jaar
werd het volgens de RTM-archieven voor sloop verkocht.
In juli 1988 voer het laatste RTM-veer Zijpe-Anna Jacobapolder voor de laatste
keer, de resterende schepen werden verkocht. Een week na de opheffing meldde
zich het Scheepvaartmuseum in Rotterdam met de vraag om gegevens van de 'Krabbekreek'
die - totaal onverwachts- nog steeds bleek te bestaan en in de tussenliggende
jaren als jachtje was gebruikt. Zo vond de schrijver van deze regels nog een
week later het oude RTM-bootje op een paar kilometer afstand van zijn huis en
kort daarna heb ik het gekocht.
Een grondige opknapbeurt bleek enkele jaren terug niet meer haalbaar (water
lost alles op) en uiteindelijk is de 'Krabbekreek' als allerlaatste "tramboot"
voor stationaire expositie ondergebracht bij het RTM-museumbedrijf in Ouddorp.

Stoomsleepboot Hellegat met het R.T.M.
Sleepschip No 1
(later werd de aanduiding R.T.M. in de naam niet meer gebruikt) te Zijpe, voor
1913.
Dit sleepschip was gebouwd in 1900 en bestemd voor materieeltransport, terwijl
in het ruim vee kon worden vervoerd.
De goederenloods op de hoogwatersteiger is in 1913 bij storm omgewaaid en niet
herbouwd.
De stoomkraan ernaast werd in de jaren 20 vervangen door een zwaardere
Hensen-stoomkraan.
De interlokale stoomboot was voor de RTM tot diep in de jaren veertig de grootste concurrent. De RTM heeft vaak met de lokale maatschappijen overlegd om tot afspraken te komen, wat totaan 1918 nauwelijks resultaat had. De toen begonnen kolencrisis duurde totaan 1921 en bood de RTM de mogelijkheid de oude concurrenten uit te schakelen. Tot 1928 werden die bootdiensten opgeheven of in de RTM opgenomen, waardoor een bijzonder bont bootbedrijf bij de RTM ontstond. De RTM-vloot werd daardoor een erg gemengd geheel. In de RTM werden de bootdiensten van Zierikzee op Rotterdam, en Middelharnis op Rotterdam ondergebracht. De "Menheerse boot" bleef als Naamloze Vennootschap zelfstandig bestaan. Verder nam de RTM de NV Vlaardingsche Stoomboot Maatschappij geheel over en verkreeg de RTM tussen 1924 en 1928 de meerderheid van aandelen in de NV Stoomboot Reederij Fop Smit & Co (Rotterdam-Dordrecht-Gorinchem en zomerdiensten op Hoek van Holland en Oostvoorne), wat de RTM bijna de financiële kop kostte. Alles meegerekend heeft de RTM ongeveer 50 schepen bezeten, waarop ik bij gelegenheid hier nader zal ingaan.
|
Museum 'STICHTING V/H ROTTERDAMSCHE
TRAMWEG MAATSCHAPPIJ' gevestigd te Ouddorp ZH
KvK Zuid-Holland-Zuid nr. S411 19 891 |